Uit twee recente vonnissen blijkt dat een no cure no pay-afspraak van en met de advocaat voor de cliënt wel eerlijk en duidelijk moet zijn.
Een Rotterdams advocatenkantoor, dat zich toelegt op de incasso van geld-
vorderingen wilde met de opdrachtbevestiging en de voorwaarden ‘van twee walletjes eten’: kosten voor de werkzaamheden in rekening brengen én bij de incasso een percentage voor haarzelf hanteren.
De cliënte, een firma, verweerde zich tegen de restantvordering van het kantoor en vroeg het haars inziens teveel betaalde terug.
De kantonrechter* constateert dat het advocatenkantoor onduidelijke
voorwaarden heeft en straft het gebruik van die ‘spelregels’ af:
de cliënte krijgt het onverschuldigd betaalde terug, met veroordeling van
het advocatenkantoor in de proceskosten. De kantonrechter is het met
de firma eens dat Gedragsregel 17 is geschonden.
Een langdurige letselschadezaak, een verkeersongeval eind 1992, kreeg
28 jaren later (!) een no cure no pay-ontknoping.
De toentertijd in de arm genomen rechtshulpverlener was met de cliënt no cure no pay overeengekomen: boven 300.000 gulden zou een honorarium
van 15% worden gerekend. In 2004 werd 360.000 euro betaald.
De schadevergoeding werd in 2019 definitief vastgesteld (in hoger beroep)
op bijna 672.000 euro.
De belangenbehartiger van eertijds was in 2010 overleden.
De nieuwe advocaat had daarna nog bedragen voor de cliënt ontvangen en wilde tornen aan de no cure no pay-afspraak, door ook kosten van een deskundigenonderzoek te vorderen. De rechtbank** stak daar een stokje voor: de cliënt mocht er bij de overgenomen zaak op vertrouwen dat
de initiële afspraak bleef staan; dus geen kosten en het ten onrechte ingehouden saldo te betalen aan de cliënt.
* Rb. Den Haag 9 februari 2021 ECLI:NL:RBDHA:2021:1467
** Rb. Midden-Nederland 17 februari 2021 ECLI:NL:RBMNE:2021:513