Een spreuk van de Romeinen: de wet is hard, maar het is de wet.
Dat geldt ook voor het hardvochtig ‘oordeel’ van het Hof van Justitie
van de Europese Unie, als antwoord op een prejudiciële vraag.
Op 17 juli 2019 moest TAP een vlucht uitvoeren van Stuttgart naar
Lissabon. In de vroege ochtend, kort voor vertrek, werd de copiloot
in het hotel dood aangetroffen, in bed. De crew was uiteraard geschokt
en allen meldden zich ziek. Er was geen vervanger beschikbaar en
de vlucht werd geannuleerd.
Hadden de passagiers – ondanks dit tragische voorval – toch recht op
de compensatie op grond van Verordening 261/2004? De Duitse rechter
twijfelde en legde de vraag voor aan het Europese Hof.
De vraag werd bevestigend beantwoord: ja dus, de “afwezigheid” (sic!)
wegens (de) dood onderscheidt zich, aldus het Hof, niet van onverwacht
ziek worden. Het Hof merkt deze plotselinge afwezigheid aan als “inherent
aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij”,
geen ‘buitengewone omstandigheden’ in de zin van de Verordening dus…
Dit arrest laat weer eens zien hoe ver de bescherming van de passagiers gaat.
____________________
HvJ EU 11 mei 2023 C-156/22 – C-158/22 ECLI:EU:C:2023: 393.