April 26, 2021 admin

ijs en weder dienende

In een recent vonnis van de Rechtbank Amsterdam over een luchtvaartclaim
wegens een vertraagde vlucht*1 wordt de-icing (en de doorwerking ervan) niet
als ‘buitengewone omstandigheid’ aangemerkt. Klopt dat absolute neen wel?

Het oordeel van de Amsterdamse rechtbank is nogal stellig: de-icing wordt
beschouwd als …”inherent aan de normale uitoefening van het bedrijf van een
luchtvaartmaatschappij”, het criterium dat voor onverwachte vliegveiligheids-
problemen wordt gehanteerd sinds het Wallentin-arrest*2.

De naburige rechtbank, die van Noord-Holland, huldigde die opvatting tot voor
kort ook, maar zij is eind 2020 “om gegaan”: zowel de procedure, de de-icing,
als het wachten daarop (op de machines dus), kunnen in haar optiek een
‘buitengewone omstandigheid’ vormen in de zin van EU-Verordening 261/2004.
De rechtbank stelt daarbij wel de voorwaarde dat die dan voldoende moet
worden onderbouwd*3.

Het Gerechtshof Amsterdam zal – in hoger beroep – kunnen en moeten kiezen
voor hetzij een rigide en ijskoud standpunt, dan wel voor de flexibele en genuanceerde
opvatting. Is ijsvorming te voorzien en/of te verwachten en kan de luchtvaartmaatschappij,
die afhankelijk is van de machines en mensen ‘op de grond’, daar (tijdig) op anticiperen?
_____________________________________________________________________

*1   Rb. Amsterdam 12 april 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:1746;
in een wat ouder vonnis werd extreem winterweer wel als buitengewone
omstandigheid beschouwd, zie Rb. Amsterdam 4 juli 2013 ECLI:NL:RBAMS:2013:4357.
*2   HvJ EU 22 december 2008 NJ 2009/230 Wallentin-Hermann/Alitalia;
zie ook HvJ EU 17 september 2015 C-257/14 Van der Lans/KLM.
*3    Rb. Noord-Holland 11 november 2020 ECLI:NL:RBNHO:2020:10191;
zie ook Rb. Noord-Holland 10 maart 2021 ECLI:NL:RBNHO:2021:2294.